Achterstevoren op de ezel:
mannen als de onacceptabele slachtoffers van huiselijk geweld
|
Malcolm George,
Nederlandse vertaling: Hein van Gils.
Uit: The Journal of Men's Studies, Volume 3, Number 2, November 1994, p.
137-159, 1994
De literatuur staat hier
In het Frankrijk en Engeland van na de Renaissance werden mannen
waarvan men dacht dat ze werden mishandeld en/of gedomineerd door hun
vrouwen, geridiculiseerd en gekleineerd (Steinmetz, 1977-78). In Frankrijk
bijvoorbeeld werd een “mishandelde” man door de stad rondgereden
achterstevoren op een ezel met de staart in zijn hand. In Engeland werden
“misbruikte” mannen op een handkar vastgebonden en zo rondgereden door de
stad, daarbij veracht en belachelijk gemaakt door het volk. Dergelijke
“behandelingen” kwamen voort uit het patriarchale ideaal waarin van een man
werd verwacht dat hij zijn vrouw domineerde, en hij haar, als de noodzaak
zich zo voordeed, ook een pak slaag gaf; en niet andersom (Dobash & Dobash,
1979).
Alhoewel het patriarchale idee van de totale dominantie van de man over de
vrouw bleef bestaan tot in de twintigste eeuw (Pleck, 1987), zien we in de
tweede helft van deze eeuw een zekere verschuiving in de houding van mensen
ten opzichte van huwelijksrelaties. Te beginnen in de zeventiger jaren,
bijvoorbeeld, brachten pleitbezorgers als Del Martin (1976) en Erin Pizzey
(Pizzey 1974; Pizzey & Shapiro, 1982) het “verborgen” probleem van huiselijk
geweld aan het licht. Als gevolg daarvan vonden termen als “huiselijk
geweld” en “mishandelde vrouwen” hun weg naar het dagelijkse spraakgebruik.
Uiteindelijk lijkt de samenleving het probleem van huiselijk geweld tegen
vrouwen serieus te nemen en te zoeken naar oplossingen om het geweld te
beperken dan wel te stoppen.
Het merendeel van het vroege onderzoek naar huiselijk geweld richtte zich
uitsluitend op het vrouwelijke slachtoffer en de sociale factoren die de
slachtofferrol voor vrouwen bevorderden (Smith, 1989). Zulk soort onderzoek
heeft een duidelijke invloed op de evolutie van het privaatrecht, de
handhaving van het strafrecht en de manier waarop justitie en sociale
instellingen reageren op de behoeften van de mishandelde vrouwen (Victim
Support, 1992).
Zoals opgemerkt in de openingsparagraaf, het feit dat de maatschappij het in
de afgelopen eeuwen noodzakelijk vond om mannen te bestraffen die de
patriarchale manier van doen niet mede in stand hielden, suggereert een
a-priori onderkenning van de mogelijkheid dat een man door zijn vrouw kon
worden aangevallen of gedomineerd. In de afgelopen jaren heeft deze
mogelijkheid weinig steun of geloofwaardigheid ondervonden. In tegendeel,
het gezichtspunt van de man-als-slachtoffer van huiselijk geweld is meer een
onderwerp van cartoons (Saenger, 1963) of van grappen over getrouwde mannen
als watjes (Wilkinson, 1981). Het wijzen op het probleem van de
getrouwde-man-als-slachtoffer heeft een verhitte controverse binnen
academische kringen tot gevolg gehad, met aan de ene kant degenen die daar
bewijzen voor hebben gerapporteerd (zie Mills, 1990; Mold, 1990; Straus,
Gelles, & Steinmetz, 1980) tegenover degenen die dat probleem belachelijk
maken (zie Pagelow, 1985; Pleck, Pleck, & Bart, 1977; Walker, 1989, 1990).
Klaarblijkelijk wordt het debat gevoed door een aantal factoren. Tot de
meest geciteerde horen de relatieve aantallen van mannelijke versus
vrouwelijke slachtoffers, de methoden waarmee is vastgesteld of er wel of
geen sprake is van mannelijke slachtoffers en de aard en context van
geweldpleging door vrouwen. Met betrekking tot deze laatste factor, de aard
en context van geweldsgebruik door vrouwen, is het debat uitgebreid tot de
vragen of geweldpleging door een vrouw tegen een man alleen gemotiveerd is
in termen van zelfverdediging, of dat de geweldpleging door een vrouw tegen
een man een terugbetaling is voor eerder geweld, en of de veroorzaakte
verwonding toegebracht aan een man door een vrouw vergelijkbaar is met die
toegebracht aan een vrouw door een man.
Met betrekking tot de eerste vraag laten de meeste data over huiselijk
geweld in de Verenigde Staten bijvoorbeeld, zien, zoals Mildred Daley
Pagelow (1985) redeneert, dat vrouwen veel vaker dan mannen het slachtoffer
van geweld zijn. Dat is dan ook de conclusie van een literatuurstudie gedaan
voor het Ministerie van Binnenlandse Zaken van het Verenigde Koninkrijk
(Smith, 1989). Gegeven het feit dat de meeste studies suggereren dat
huiselijk geweld uitsluitend wordt gepleegd door mannen en dan theoretische
kaders voorstellen om deze eenzijdige toestand te verklaren, zijn mannen die
eenzijdige geweldpleging door hun vrouwen of vrouwelijke partners
ondervinden vrijwel totaal genegeerd.
Afgewezen met het argument dat er maar weinig mannen het slachtoffer zijn
van misbruik door de echtgenote of dat deze enkelingen naar alle
waarschijnlijkheid mannen zijn die hun eigen misbruik niet onderkennen en
die klagen over de behoefte aan zelfverdediging van hun vrouwen, hebben de
ervaringen van zulke (vert.: mishandelde) mannen weinig aandacht van
onderzoekers gekregen.
Een ander punt dat serieuze aandacht voor het probleem van de mishandelde
man verhindert, is de veronderstelling dat het onderzoek naar mishandelde
vrouwen voldoende basiskennis zal opleveren om mannelijke slachtoffers te
begrijpen. Verder is er gesuggereerd dat in de zeer zeldzame gevallen van
mishandelde mannen al tegemoet gekomen wordt aan hun sociale en legale
behoeften binnen de context van de bestaande en beschikbare sociale en
justitiële voorzieningen (Pagelow, 1985).
Alhoewel enkelen redeneren dat de betrekkelijk zeldzame gevallen van
mishandelde mannen weinig serieus onderzoek vereisen, hebben incidenten met
mishandelde mannen de aandacht getrokken van talloze sociale instellingen in
het Verenigde Koninkrijk, bijvoorbeeld bij de politie (Burrell & Brinkworth,
1994; Kirsta, 1994), lijkschouwers (Harrison, 1986), hulpverleners (Jaevons,
1992; Kirsta, 1991, 1994; Thomas, 1993), de reclassering (Jaevons, 1992),
sociale instellingen zoals de Samaritanen, het Leger des Heils, en
voorzieningen voor daklozen (Harrison, 1986; Jaevons, 1992; Lewin, 1992),
psychiaters en artsen (Borowski, Murch, & Walker, 1983; Harrison, 1986;
Oswald,1980), de vaderbeweging (Harrison, 1986), advocaten (Wolff, 1992) en
zelfs onder hen die werken met mishandelde vrouwen(L. Davidson, persoonlijke
mededeling, april, 1994; ; Kirsta, 1991; Lewin, 1992; E. Pizzey,
persoonlijke mededeling, december, 1992).
Deze publicatie richt zich op het probleem van het mannelijke slachtoffer
door het bespreken van onderzoek en literatuur waarin huiselijk geweld
gericht tegen mannen/mannelijke partners wordt vastgesteld of besproken.
Verder bepleit ik dat er meer onderzoek nodig is om de overeenkomsten en
verschillen te helpen definiëren tussen mannelijke en vrouwelijke
slachtoffers van huiselijk geweld. De bewering dat het aantal mishandelde
mannen in de maatschappij erg klein is, en daarom een anomalie betreft
binnen de algemeen geaccepteerde gedachte dat vrouwen het enige “echte”
slachtoffer van huiselijk geweld zijn, wordt ontkend (door de auteur). Het
feit is dat serieus onderzoek naar het fenomeen van mishandelde mannen
eigenlijk een noodzakelijke volgende stap zou kunnen zijn om de studie van
huiselijk geweld te helpen opschonen (NB 1).
ZIJN MANNEN SLACHTOFFER?
ONDERZOEK EN CONTROVERSE
Alhoewel huiselijke aanvallen tegen mannen in de literatuur zijn
gerapporteerd vanaf de vijftiger jaren (Bates, 1981; Straus, 1993), komen de
eerste academische verwijzingen naar “mishandelde mannen” voor in het werk
van Suzanne Steinmetz (1977, 1977-78). Extrapolerend vanuit een kleinschalig
onderzoek, suggereerde Steinmetz dat het “slaan van mannen” wellicht
evenveel voorkwam als “vrouwenmishandeling” en dat de mishandeling van de
man, en niet de vrouwenmishandeling, een veel te weinig gerapporteerde vorm
van huiselijk geweld was.
Haar
stellingen kregen aanzienlijke media aandacht in de Verenigde Staten en ook
elders, maar ze werd zwaar aangevallen door tegenstanders vanwege
misverstanden, misplaatste interpretaties en een foute voorstelling van
zaken. Pagelow(1985), bijvoorbeeld, bekritiseerde Steinmetz’s bewijsvoering
op een aantal punten, zoals het gebruik van geaggregeerde steekproeven in
plaats van steekproeven van (echt)paren. Verder merkte ze op dat het werk
van Steinmetz geen aandacht schonk aan de context waarin vrouwen de plegers
van geweld waren, namelijk “zelfverdediging”. Daarom betoogde Pagelow dat de
stelling over mannenmishandeling niet bevestigd kon worden en dat het
mishandelde-mannen-syndroom gebakken lucht was.
Niettegenstaande de kritiek op Steinmetz en haar concept van de mishandelde
man is geweld tegen mannen gerapporteerd door anderen. Bijvoorbeeld, Murray
Straus, Richard Gelles, en Suzanne Steinmetz (1980) schatten dat ongeveer
een op de acht mannen in de Verenigde Staten gewelddadig optrad tijdens
huwelijksconflicten. Zij schatten dat een vergelijkbaar aantal vrouwen
eveneens gewelddadig optrad tijdens huwelijksconflicten. Zij merkten ook op
dat in het merendeel van deze gevallen geweld een wederzijdse of onderlinge
activiteit was, waarbij slechts in 27 % van de gevallen mannen de enige
geweldplegers waren en in 24 % van de gevallen uitsluitend de vrouwen
gewelddadig optraden. Met betrekking tot zwaar geweld volgens de “Conflict
Tactiek Schaal” (NB 2), stelden deze auteurs dat het aandeel van de mannen
die geslagen werden door hun vrouwen 4.6 % was; een getal dat wijst op “meer
dan 2 miljoen zeer gewelddadige vrouwen”. Terwijl 47 % van de mannen die hun
vrouw slaan dat twee keer tot vele malen per jaar hardhandig doen, timmeren
de 53 % van de vrouwen die hun man slaan, er drie keer tot meermaals hard op
los.
In een later artikel bespraken Straus en Gelles (1986) zowel hun eigen als
ook andere onderzoekingen in de Verenigde Staten en rapporteerden een
vergelijkbaar aantal aanvallen van man-op-vrouw als van vrouw-op-man. In hun
survey uit 1975 schatten Straus, Gelles & Steinmetz (1980), dat ongeveer in
38 uit 1000 gezinnen ernstig man-tegen-vrouw geweld voorkomt, terwijl in 46
uit 1000 gezinnen ernstig geweld van vrouw-tegen-man voorkomt. Tien jaar
later rapporteerden Straus & Gelles (1986) dat de aantallen zijn afgenomen
naar 38 tot 30 per duizend paren respectievelijk van 46 tot 44 per duizend.
In de twee onderzoeksjaren (1975 en 1985) was bij algemene gewelddaden, in
de definitie van de “Conflict Tactiek Schaal”, het aantal man-tegen-vrouw
gewelddaden 121 en 113 en het aantal vrouw-tegen-man gewelddaden 116 en 121
per 1000 paren.
Alhoewel Straus & Gelles niet nader in gingen op deze vergelijkingen, deden
ze toch een uitspraak die indruiste tegen de gangbare academische en
maatschappelijke perceptie, namelijk dat het “een belangrijke en
verontrustende uitkomst over geweld in Amerikaanse gezinnen is dat in
opvallende tegenstelling tot het gedrag van vrouwen buiten het gezin,
vrouwen binnen het gezin even gewelddadig zijn als mannen” (p. 470). De
kleine verandering in het aantal vrouw-tegen-man gewelddaden vergeleken met
de (reeële) verandering in het aantal man-tegen-vrouw gewelddaden werd
gezien als voortvloeiend uit een gebrek aan aandacht voor de mannelijke
slachtoffers. Het pleidooi om gepaste aandacht te schenken aan vrouwelijk
geweld tegen man en te accepteren dat hier sprake is van hogere aantallen
slachtoffers, werd ondersteund door een verwijzing naar andere studies die
vergelijkbare niveaus van mannelijke slachtoffers vonden (Brutz & Ingoldsby,
1984; Gelles, 1974; Giles-Sims, 1983; Jourilles & O'Leary, 1985; Lane &
Gwartney-Gibbs, 1985; Laner & Thompson, 1982; Makepeace, 1983; Sack, Keller,
& Howard, 1982; Saunders, 1986; Scanzoni, 1978; Steinmetz, 1977, 1977-78;
Kinovacz,1983).
Concluderend, samengevatte gegevens zoals bij Straus en Gelles (1986) maken
het waarschijnlijk dat vrouwen in een iets groter aantal gevallen overgaan
tot lichte aanvallen op hun mannelijke partners dan omgekeerd. In situaties
waarin beide partners geweld aanwendden, waren mannen en vrouwen bijna even
vaak verantwoordelijk voor de eerste klap, maar in slechts een kwart van
deze relaties was de man het enige slachtoffer. Bij meer letsel
veroorzakende vormen van geweld werden mannen gezien als meer agressief dan
vrouwen en er werd gesuggereerd dat het plegen van aanvallen die
resulteerden in lichamelijk letsel zich verhouden als 6 of 7 tegen 1 (man
versus vrouw).
Terugkijkend op de controverse over geweld tegen mannen, hebben Straus
(1989, 1993) en Straus & Kaufman-Kantor (1994) dergelijke waarnemingen
uitgebreid en het belang van voldoende aandacht voor deze zaak nog eens
herhaald. Straus (1993) heeft erop gewezen dat enkele studies falen als het
erom gaat om vrouw-tegen-man geweld feiten te rapporteren. Straus
bijvoorbeeld merkte op dat een studie over mishandelde vrouwen uit Kentucky,
naliet om de 38 % eenzijdige vrouw-tegen-man gewelddaden te vermelden.
Verder viel
het Straus bij het vergelijken van meer dan dertig onderzoeken op dat
elk (met de nadruk van Straus)
onderzoek op basis van een steekproef zonder zelfselectie een
ongeveer vergelijkbare gewelddadigheid voor zowel vrouwen als mannen vond
(bijv. Brush, 1990; Sorensen & Telles, 1991). Een deel van de variatie in de
rapporten over het voorkomen van geweld tegen mannen of mannelijke partners
kon worden toegeschreven aan het verschil tussen onderzoekingen die de
gehele bevolking bekeken of steekproeven van geregistreerde
slachtoffers afkomstig uit dossiers van de politie of van
hulporganisaties voor slachtoffers van huiselijk geweld. De veel lagere
aantallen van mannelijke slachtoffers die naar voren komen uit studies op
basis van steekproeven van slachtoffers van huiselijk geweld verkregen uit
slachtofferhulp programma’s, politiedossiers of andere instellingen uit dit
werkveld worden geacht een “clinical sample fallacy” (klinisch vooroordeel)
in het debat te introduceren. In tegenstelling daarmee zijn bewijzen
verkregen door het gebruik van de “Conflict Tactiek Schaal”, alhoewel op
brede schaal erkend en gebruikt, bekritiseerd door enkelen voor het geven
van schijngeloofwaardigheid aan aanvallen van vrouwen op mannen door de
onterechte vergelijking van aanvallen door vrouwen met de potentieel veel
schadelijkere aanvallen door mannen (bijv., Bogarde, 1990; Kurz, 1993).
Verscheidene Amerikaanse en Canadese studies doen vermoeden dat het niveau
van vrouwengeweld tegen echtgenoten of mannelijke partners hoger is dan
alleen maar afwijkende of kleine aantallen geïsoleerde individuele gevallen.
Nisonoff & Bitman (1979) vermelden bijvoorbeeld dat 15,5 % van de mannen en
11,3 % van de vrouwen aangeven hun huwelijkspartner geslagen te hebben,
terwijl 18,6 % van de mannen en 12,7 % van de vrouwen aangeven geslagen te
zijn door hun huwelijkspartner. Studies over zowel getrouwde/samenwonende
als andere paren hebben ook vastgesteld dat vrouwen eenzijdige geweldsdaden
gericht tegen hun mannelijke partners toegeven, niet zoveel anders als die
begaan door mannen (Arias & Johnson, 1989). In een onderzoek van 884
universiteitsstudenten uit de VS vond Breen (1985) dat zowel mannelijke en
vrouwelijke studenten aangaven het slachtoffer te zijn geworden van een
geweldsdaad door een romantische partner in ongeveer gelijke aantallen (18 %
van de mannen en 14 % van de vrouwen). En onder getrouwde mannelijke
studenten vond Breen dat 23 % aangaf te zijn geslagen, gestompt of getrapt,
terwijl 9 % rapporteerde het slachtoffer te zijn van een aanval met een
wapen en een vergelijkbaar percentage rapporteerde verwondingen te hebben
opgelopen die hen ertoe aanzetten zich medisch te laten behandelen.
In een
onderzoek van bijzonder belang, aangezien er patiënten werden bekeken die
bij de eerste hulp aanklopten, vonden Goldberg & Tomianovich (1984) dat
mannen 38 % uitmaakten van de slachtoffers van echtelijk geweld. Bland & Orn
(1986) vonden in een Canadese studie over samenhangen tussen geweld in de
familie, psychiatrische afwijkingen en drankmisbruik, dat mannen en vrouwen
bijna gelijk opgingen in het plegen van geweld tegen hun partners. In een
ander onderzoek, deze keer onder 562 getrouwde en samenwonende paren in
Calgary, Canada, vonden Brinkerhoff & Lupri (1988) bijna twee keer zoveel
zwaar geweld begaan door vrouw-tegen-man als door man-tegen-vrouw. Deze
onderzoekers rapporteerden met behulp van gegevens ontleend aan de “Conflict
Tactiek Schaal” een getal van 4,7 % voor zwaar lichamelijk geweld in
man-tegen-vrouw relaties terwijl 10,4 % werd vastgesteld voor zwaar
lichamelijk geweld van vrouw-tegen-man. Deze auteurs suggereerden ook dat
geweld door mannen afnam onder mannen met een hoger opleidingsniveau, maar
geweld door vrouwen nam toe. Ook Sommers, Barnes & Murray (1992)
rapporteerden een hoger voorkomen van tenminste één vorm van partnermisbruik
door vrouwen in tegenstelling tot mannen (39,1 % versus 26,3 %)
Surveys van huiselijk geweld in het Verenigde Koninkrijk zijn beperkter dan
de Nationale Gezinsgeweld Survey of andere vergelijkbare surveys in de
Verenigde Staten of Canada (Smith, 1989). Maar als we rapportages in de
populaire media als bewijs accepteren, kan het voorkomen van mannelijke
slachtoffers aangetoond worden. In een Britse survey, bijvoorbeeld, van
2.075 mensen en hun gezinsleven zoals weergegeven in de populaire pers,
rapporteerde Moller (1991) dat drie keer zoveel vrouwen als mannen toegaven
hun echtgenoot of partner te slaan. Individuele levensverhalen van geslagen
mannen zijn ook gepubliceerd in verscheidene populaire uitgaven evenals de
details uit een ongepubliceerd Brits onderzoek uitgevoerd met behulp van de
“Conflict Tactiek Schaal” waarin vergelijkbare resultaten werden gevonden
(bijv., Kirsta, 1989, 1991, 1994; Stacey & Cantacuzino, 1993; Wolff, 1992).
In een
artikel dat een aantal rechtszaken bespreekt merkt Bates (1981) op dat
terwijl er “weinig geschreven is over mannelijke slachtoffers, het niet
moeilijk was om mannelijke slachtoffers te vinden zelfs bij een oppervlakkig
zoeken in de jurisprudentie”. In tegenstelling daarmee, vond een onderzoek
van politie- en rechtbankdossiers dat slechts 2.4 % van de gevallen een
mannelijk slachtoffer betrof (Dobash & Dobash, 1978).
Twee andere
studies in het Verenigde Koninkrijk gaven een wat afwijkend beeld. Borowski,
Murch & Walker (1983) vonden dat in een onderzoek onder vijftig huisartsen
dat net iets meer dan 80 % van de artsen melden elke zes maanden een geval
van een vrouwelijk slachtoffer van huiselijk geweld gezien te hebben, maar
totaal ongevraagd rapporteerden 27 % van de artsen ongeveer even vaak een
mannelijk slachtoffer te zien. In een studie door psychiaters in Schotland
maakte Oswald (1980) melding van 299 vrouwen in gewelddadige relaties.
Zesenveertig procent van deze vrouwen gaf aan zowel slachtoffer van geweld
door een echtgenoot/partner of naaste verwant te zijn als ook pleger van
geweld tegen hun echtgenoot/partner of naaste verwant. Een verdere 12% gaf
te kennen dat ze gewelddadig waren geweest tegen een echtgenoot/partner of
naaste verwant, maar dat ze geen tegengeweld hadden hoeven te incasseren.
In een meer
recente studie uit het Verenigde Koninkrijk rapporteerden Smith, Baker &
Bodiwala (1992) over de resultaten van hun dubbelblinde (m/v)onderzoek van
slachtoffers van huiselijke aanvallen die bij de Eerste Hulpkliniek te
Leicester binnenkwamen. Uit de dossiers van de Eerste Hulp uit 1988 van
geweldsslachtoffers van beide geslachten die aangaven dat hun verwondingen
voortkwamen uit huiselijke gebeurtenissen, kan achteraf het aantal
mannelijke slachtoffers van echtelijk geweld afgeleid worden. Voor een
aantal categorieën van relationeel geweld in de huiselijke kring, waren elf
mannen en 55 vrouwen met zekerheid geïdentificeerd als slachtoffer van een
aanval door hun echtgenoot (m/v) of partner. Nog eens zes mannen en 30
vrouwen waren geïdentificeerd als zijnde aangevallen door een romantische
partner. Een interessant verschijnsel in het hele onderzoek van 142
mannelijke en 155 vrouwelijke geïdentificeerde slachtoffers was het feit dat
59 % van de mannen en 25 % van de vrouwen hun aanvaller niet
identificeerden. Verder kunnen meldingen over mannelijke slachtoffers van
huiselijk geweld gepleegd door vrouwen gevonden worden door gebruik te maken
van gegevens uit Australië (Scutt, 1981). Zo heeft ook academische
onderzoeksliteratuur over huiselijk geweld uit vier landen (De Verenigde
Staten, Canada, het Verenigde Koninkrijk en Australië) het voorkomen van
mannelijke slachtoffers gerapporteerd variërend van nul tot iets hoger dan
het voorkomen van vrouwelijke slachtoffers. Terwijl een verrassend aantal
studies bepaalde hoeveelheden mannelijke slachtoffers vindt, zijn de
gegevens niet altijd compleet. Wat wel duidelijk is echter is dat aanvallen
van vrouwen op hun mannen of mannelijke partners wel degelijk voorkomen. Dit
is zelfs toegegeven door sommige tegenstanders van het concept van
“mishandelde man” (Walker, 1990). Wat ook de aantallen van aanvallen door
vrouwen op hun mannelijke partners zijn, Het uitgangspunt van Pagelow (1985)
dat mannelijke slachtoffers nauwelijks voorkomen is bestreden door talloze
onderzoekers uit een reeks van vakdisciplines en onderzoeksgebieden
(Macchieto, 1992). Verder wordt het debat over mishandelde mannen steeds
verhitter, nu er meer mannen naar voren treden en publiekelijk hun situatie
als slachtoffer van huiselijk misbruik beschrijven (zie Aardoom, 1993;
Edwards, 1992; Greenfield, 1992; Raeside, 1993; Smith, 1992; Thomas, 1993;
and Turner, 1988).
OVER DE AARD VAN AANVALLEN OP ECHTGENOTEN
ZELFVERDEDIGING?
Een belangrijk punt van kritiek tegen Steinmetz’s claim van het bestaan van
“mishandelde echtgenoten” was dat ze (ten onrechte) geen aandacht schonk aan
de context of aan de situatie die de vrouw er toe bracht om gewelddadig
tegen haar mannelijke partner op te treden. De tegenstanders beweren dat in
de zeldzame gevallen wanneer een vrouw een man aanviel, zo’n aanval naar
alle waarschijnlijkheid gerechtvaardigd was in termen van zelfverdediging,
voortvloeiend uit ofwel zijn eerdere aanvallen of uit de waarschijnlijkheid
van een ophanden zijnde aanval.
Aanvankelijk, vanwege deze kritiek en omdat hij geloofde dat de meeste
aanvallen van vrouwen op mannen uit zelfverdediging plaatsvonden, borduurde
Straus niet voort op zijn originele 1975 survey (Straus, 1993). Toen ze
echter hun studie met andere uit de Verenigde Staten vergeleken konden
vergelijkbare aantallen aanvallen van man-tegen-vrouw en vrouw-tegen-man
vastgesteld worden en besproken in de context van de kritiek (Straus &
Gelles, 1986).
Gedetailleerde beschouwingen werden gemaakt van de ernst van de aanval, de
verschillen in rapportage- en survey-methoden en de mogelijkheid dat
aanvallen ter zelfverdediging waren of een reactie op een eerdere aanval.
qxq. Vanuit landelijke survey gegevens werd beargumenteerd
dat de gerapporteerde aantallen vrouwen die een gewelddadige handeling tegen
hun echtgenoot toegaven, erop leken te wijzen dat niet alle vrouw-tegen-man
geweld enkel en alleen kon worden verklaard als vrouwen die alleen in de
tegenaanval gaan ter zelfverdediging.
De respons van vrouwen zelf over onuitgelokte aanvallen op hun mannelijke
partners maakt zelfverdediging als de enige reden voor vrouw-tegen-man
geweld ook onwaarschijnlijk. Bovendien maken de hogere aantallen, zowel het
gemiddelde als ook de mediaan, van aanvallend gedrag door vrouwen in zulke
studies de verklaring dat alle aanvallen door vrouwen ter zelfverdediging
zijn ook nogal onwaarschijnlijk (McNeely & Robinson-Simpson, 1987).
Zij begon herhaaldelijk met vechten, om dan de politie te bellen om hem
te beschuldigen van een aanval. De agenten weigerden te geloven dat hij het
slachtoffer was geweest. Het was nu zover dat hij met zijn handen op zijn
rug ging staan en weigerde om te reageren of terug te vechten, terwijl zij
hem stompte en krabde (Thomas 1993, p. 167).
Met betrekking tot de vraag of vrouwen altijd uit zelfverdediging aanvallen
wees Straus(1993) er op dat elke studie die had onderzocht wie met het
geweld begon, en in dat onderzoek de vrouw niet bij voorbaat had uitgesloten
als degene die was begonnen, heeft gevonden dat vrouwen in een groot aantal
gevallen met geweld beginnen. Straus’ stelling dat vrouwen een grotere kans
maken om gewelddadig te worden binnen de huiselijke kring wordt verder
ondersteund door waarnemingen van het gedrag van jonge vrouwen in een
observatiekliniek voor jongeren. De niveaus van agressie en geweld door
vrouwen waren even hoog als die van mannen, maar in tegenstelling tot de
mannen, maakt geweld door vrouwen een grotere kans om naar voren te komen
binnen de kliniek i.p.v. buiten in de openbaarheid (Kirsta, 1994, p. 322).
Straus benadrukt echter dat het hoge niveau van geweld door vrouwen in de
studies die hij bespreekt niet aangeeft wie er begon met de strijd en niet
of vrouwen aanvielen om een mogelijke aanval van hun lichamelijk sterkere
mannelijke partner te verhinderen.
Tegenstanders van Straus’ stelling wijzen erop dat het bewijs tegen
aanvallen door vrouwen uit zelfverdediging, die zijn gebaseerd op gegevens
verkregen met de “Conflict Tactiek Schaal”, geen rekening houdt met
gewelddaden van vóór het begin van het onderzoeksjaar waarover de
enquêtevragen gingen en onvoldoende aandacht schenken aan de mogelijkheid
van eerdere verwondingen die aan de vrouwen waren toegebracht (Bogarde,
1990; Kurz, 1993; Pagelow, 1985). Het wordt dus voor mogelijk gehouden dat
aanvallen door vrouwen het gevolg zijn van misbruik en geweld door de
echtgenoot of mannelijke partner in voorgaande jaren. In antwoord op zulke
kritiek heeft Straus (1993) gesteld dat in zijn opvatting tenminste enkele
schrijvers zijn gepubliceerde werk verkeerd weergeven met betrekking tot de
slachtofferrol van zowel vrouwen als mannen (bijv. Kurz, 1993). Nergens is
die controverse sterker dan bij gewelddadige aanvallen door vrouwen die de
dood van hun mannelijke partner tot gevolg hebben. In dit geval is er
aanzienlijke aandacht besteed aan het cumulatieve proces van misbruik dat
een vrouw er toe kan brengen om zo’n aanval te doen uit absolute wanhoop
(Walker, 1993). Zelfs hierbij echter heeft Mann (1989) gesteld dat er ruimte
is om te eraan twijfelen of dergelijke aanvallen het gevolg zijn van
“uitgestelde” zelfverdediging door op te merken dat geen enkele van de
vrouwen in haar steekproef van vrouwen, die in de gevangenis zaten voor het
vermoorden van echtgenoten of minnaars, was mishandeld. Straus (1989, 1993)
en Sommer, Barnes & Murray (1992) melden ook dat andere studies over moord
aanwijzingen bevatten dat vrouwen niet handelen uit zelfverdediging.
VERWONDING OF GEEN VERWONDING?
De uiteindelijke afwijzing van geweld door vrouwen tegen echtgenoten of
mannelijke partners komt voort uit de veronderstelling dat vrouwelijk geweld
niet tot evenveel of zelfs minder verwondingen leidt dan geweld gepleegd
door mannen.
Reeds besproken gegevens laten vermoeden dat aanvallen van vrouwen op mannen
in de zwaardere categorieën van de “Conflict Tactiek Schaal” kunnen vallen,
met andere woorden, het niveau van geweld waarbij er een groot gevaar voor
verwonding bestaat. Zowel Goldberg & Tomianovich (1984) als Smith et al.
(1992) vonden bij het bekijken van gegevens uit ziekenhuizen dat mannelijke
slachtoffers verwondingen opliepen die om medische behandeling vroegen.
Smith et al. (1992) rapporteerden ook dat mannen veelal zwaardere
verwondingen opliepen en vaker bewusteloos raakten dan vrouwen.
[Een] man werd opgenomen in Barts [St. Bartholomew Ziekenhuis, Londen]
nadat zijn vrouw zijn schedel met een slagersmes had gespleten. Hij had
geluk dat hij het er levend vanaf gebracht had (geciteerd in Harrison, 1986,
p. 34).
Ik heb verwondingen gehecht van mannen die met servies bekogeld waren en die
met flessen op hun hoofd getimmerd waren. Ik kreeg eens een man te zien die
eruit zag alsof hij onder een stoomwals terecht was gekomen… hij was
overdekt met zwellingen en vleeswonden (geciteerd in Harrison, 1986, p. 35).
In een bekend geval uit de media van afgelopen jaar, rukte Mw. D…C… een van
haar mans testikels eraf. Artsen slaagden er niet in om het te redden en de
rechter veroordeelde de vrouw tot betaling van ₤ 480 aan kosten. Een rechter
veroordeelde Mw. C….. tot de proceskosten van ₤480 maar kende geen
schadevergoeding toe (geciteerd in Wolff, 1992, p.22).
Er moet wel op gewezen worden dat in het geval van het onderzoek uit
Verenigde Koninkrijk (Smith et al, 1992), de slachtoffers thuis aangevallen
werden door allerlei verwante en niet verwante agressors en enkele
mannelijke slachtoffers zouden zwaardere verwondingen kunnen hebben oplopen
als gevolg van aanvallen door mannen. De kracht in het bovenlichaam van de
gemiddelde vrouw is minder dan die van de gemiddelde man en dus zou men
kunnen redeneren dat er minder mogelijkheden tot toebrengen van verwondingen
zijn.
Maar het
verschil in kracht hoeft niet groot te zijn (Fausto-Sterling, 1992). Er is
ook gewezen op het verschil in aanvalsmethode tussen vrouwen en mannen
(Flynn, 1990; Straus, 1980), en dat als een vrouw een man aanvalt ze vaak
niet afhankelijk is van kracht, bijvoorbeeld door het gebruik van een
huishoudelijk voorwerp als wapen. Om vast te stellen of vrouwen zwaardere
verwondingen opliepen dan mannen, rapporteerde McLeod (1984) over een
analyse van 6.200 gevallen van huiselijk geweld gemeld aan politie of
justitie dan wel aan de enquêteurs voor de Nationale Misdaad Statistiek.
Daarin rapporteerde ze dat vrouwen bij aanvallen op mannen vaker wapens
gebruiken (75 % van de vrouwen gebruikte wapens, terwijl 25 % van de mannen
dat ook deed). Alhoewel het aantal aangevallen vrouwen in de steekproef
groter was, bestond er een tendens voor de mannelijke slachtoffers om
zwaardere verwondingen op te lopen. Dus vrouwen compenseerden hun gemis aan
lichaamskracht door het gebruik van een wapen, meestal een huishoudelijk
voorwerp. De voorkeur van vrouwen om wapens te gebruiken is zowel in studies
uit het Verenigde Koninkrijk (George, 1992) als ook in een Australische
studie over mishandelde vrouwen (B. Thurston, persoonlijke mededeling,
mei-november, 1993) gerapporteerd.
Deze bevindingen passen bij de indruk dat vrouwen bij voorkeur wapens en
vormen van geweld gebruiken die voor hun effectiviteit niet afhankelijk zijn
van lichaamskracht(Straus, 1980). Het (vert.: geringe) aantal mannen dat
verwondingen, en ook aanvallen, rapporteert zou zo werd gesuggereerd heel
goed kunnen leiden tot een onderschatting van het werkelijke aantal
mannelijk slachtoffers; een opmerking die ook door anderen is gemaakt(Mack,
1989; McNeely & Robinson-Simpson, 1987). Een bewijs dat mannen aanvallen op
henzelf en de daaruit voortkomende verwondingen wat anders bekijken dan de
reacties erop van vrouwen, werd geleverd door Adler (1968)in een publicatie
die eigenlijk het voorkomen van huiselijk geweld tegen mannen bestreed. De
consequentie van deze tendens om maar beperkt te rapporteren, die ook
duidelijk optreed bij vrouwelijke slachtoffers, zou aanzienlijke gevolgen
kunnen hebben voor de cijfers over het voorkomen van mannelijke
slachtoffers. “Ik had mijn ribben gebroken...nooit heb ik echter overwogen
om enige actie te ondernemen die erop uitgedraaid zou kunnen zijn dat zij
vervolgd zou worden voor geweldpleging” (Schots slachtoffer, uit een
persoonlijke brief aan de auteur, maart 1992).
In ieder geval heeft Straus(1989, 1993) erop gewezen dat het miskennen van
mannelijke slachtoffers op basis van lichtere of ontbrekende verwondingen
gevolgen zou hebben voor hele denken over huiselijk geweld. Door het
verschil aan de orde te stellen tussen de cijfers afgeleid uit de Conflict
Tactiek Schaal en cijfers gecorrigeerd voor verwondingen, liet hij zien dat
het aantal slachtoffers onder vrouwen dan drastisch af zou nemen, ook al
zouden ze technisch gesproken thuis aangevallen zijn en mogelijkerwijs
angstig zijn gebleven. Het zou dus ook als discriminatie gezien kunnen
worden om aanvallen tegen mannen die niet tot verwondingen leiden op grond
daarvan te bagatelliseren en aan te nemen dat die niet tot een psychologisch
trauma zouden kunnen leiden; een uitgangspunt dat een stereotypisch houding
ten opzichte van mannen uitgaat. Een psychologisch trauma van mannen als
gevolg van bedreiging of door stressvolle gebeurtenissen is zowel in de
fysiologische als in de psychologische literatuur (Frankenhaeuser, 1975;
Stoney, Davis, & Mathews, 1987) en in de sociale wetenschappen (bijv.
Travato, 1986) geconstateerd. Het gevaar bestaat echter dat dit standpunt
vervolgens tot aanvallen door mannen aanleiding geeft of gebruikt wordt ter
legitimatie ervan (Straus, 1989,1993; Straus & Gelles, 1986). Het heeft
duidelijk zin dat er aandacht wordt geschonken aan aanvallen zelfs zonder
dat die tot verwondingen leidden, gegeven het feit dat het medisch algemeen
bekend is dat harde klappen op het hoofd met als uiterlijk gevolg alleen
lichte verwondingen toch gepaard kunnen gaan met bewustzijnsverlies en
mogelijke met een hersenbeschadiging (Kelly, Nichols, Filey, Lilliehei,
Rubinstein, & Kleinschmidt-DeMasters, 1991).
DE GEWELDSCONTEXT?
In het debat over mishandelde mannen is weinig aandacht besteed aan de
redenen waarom vrouwen hun mannelijke partners aanvallen anders dan ter
zelfverdediging(Makepeace, 1983; Walker, 1984). De onderliggende gedachte
over het waarom van mannen die hun vrouwelijke partners aanvallen berust op
het idee dat mannen vrouwen willen controleren(Dobash & Dobash, 1979;
Makepeace, 1983; Walker, 1984). In tegenstelling daarmee heeft zelfs Straus
(1993) de neiging om geweld van vrouwen tegen hun mannelijke partners te
bespreken met enkel een verwijzing naar of wel zelfverdediging of een
sla-de-hufter scenario dat een element van rechtvaardiging impliceert. Niet
alle studies accepteren echter het idee dat het agressieve gedrag van een
vrouw tegen een man het gevolg is van de noodzaak om zich te verdedigen
tegen een man. In een hoofdstuk dat gewelddadige vrouwen behandelt,
bijvoorbeeld, brengen Shupe, Stacey en Hazlewood (1987) tegenover de
“universele” toepassing van het zelfverdedingsmotief bij agressie door
vrouwen naar voren, dat het vrouwengeweld niet afgedaan kan worden als pure
rationalisatie (p. 52). Vrouwen kunnen op een zeer agressieve manier
reageren om andere redenen dan zelfverdediging. De agressie die voorkomt bij
sommige lesbische stellen, waaronder paren met een hoog niveau van seksuele
dwang (Waterman, Dawson, & Bologna, 1989), kan zeker niet uitsluitend aan
zelfverdediging toegeschreven worden (Hart, 1986; Renzetti, 1992). Het feit
ligt er dat vrouwen in staat zijn tot het toepassen van gerichte daden van
agressie tegen hun partners. Sommigen hebben beargumenteerd dat agressie van
vrouwen tegen mannen, net zoals die van mannen tegenover vrouwen,
toegeschreven kan worden aan hun behoefte tot domineren, bezitten of aan
gevoelens van onzekerheid(Marsh, 1976).
In het overheidsrapport van de auteur (George, 1992), dat over geslagen
mannen gaat, identificeerde tweederde van de mannelijke slachtoffers pesten
of controle als de voornaamste reden waarom hun vrouwen voor hun gevoel in
hun relatie geweld gebruikten. Vergelijkbare uitkomsten worden ook gemeld in
studies over misbruikte echtgenoten in Australië (B. Thurston, persoonlijke
mededeling, mei-november, 1993) en Canada (Gregorash, 1993). Bates (1981)
vond in zijn overzicht van rechtszaken, zoals Willan vs. Willan (Verenigde
Koninkrijk), Keehn vs. Keehn (Verenigde Staten), Green vs. Green (Canada) en
Sangster vs. Sangster (Zuid Australië) bewijzen van treiteren, slechte
behandeling op grote schaal en daden die gevaar inhielden voor lijf en
leden. Dus deze afzonderlijke rapporten over mannelijke slachtoffers lijken
erop te wijzen dat, tenminste in enkele gevallen, geweld gericht tegen
mannen door hun vrouwen een zeer vergelijkbare motivatie en inhoud heeft
zoals die genoemd wordt bij agressie van mannen tegen hun vrouwen.
Evenals vrouwen vaak het slachtoffer zijn van seksuele agressie (Walker,
1989), zijn er meldingen over mannelijke slachtoffers van seksueel misbruik
in de literatuur te vinden (Bates, 1981; Stets & Pirgood, 1989;
Struckman-Johnson, 1988; Swet, Survey, & Cohan, 1990; Thomas, 1993; Travin,
Cullen, & Potter 1990). Verder kan zulk seksueel misbruik heel schadelijk
zijn voor de mannelijke slachtoffers (Sarrel & Masters, 1982).
Enkelen hebben gesuggereerd dat geslagen echtgenoten het geweld van hun
vrouwen oproepen door emotionele onbereikbaarheid (Harrison, 1986; Kusta,
1991), gebrek aan aandacht (Straus, 1993), lichamelijke zwakheid of
handicaps (Pagelow, 1985). De suggestie echter dat emotionele passiviteit
van een man of gebrek aan aandacht de oorzaak zou kunnen zijn voor
gewelddadig gedrag door sommige vrouwen kan zulk gedrag nauwelijks
rechtvaardigen. We zouden toch ook nooit een aanval door een man op een
vrouw rechtvaardigen vanwege haar passiviteit of gebrek aan aandacht.
Vroege studies over geslagen vrouwen weerspiegelden populaire misverstanden
dat zulke vrouwen zelf schuld waren aan hun slachtofferrol(Pizzey & Shapiro,
1982). Tegenwoordig worden zulke beschuldigen van het slachtoffer sterk
afgekeurd als weinig meer dan een mechanisme voor de mishandelaar om ermee
weg te komen of als een excuus voor zijn asociale gedrag (Smith, 1989).
Beschuldiging van het slachtoffer wordt ook als een reusachtig probleem
ervaren door geslagen mannen; terwijl de wortels ervan in de humor over de
suffe echtgenoot liggen, kan het ook gezien worden als onderdeel van de
academische analyse van geweld tegen echtgenoten. Zo suggereerde Adler
(1981) dat enkele mannen de aanvallen van hun partners accepteren en er
onverschillig tegenover staan, zich er vrolijk over maken en er dus geen
reden voor zien om de relatie te beëindigen ondanks blootstelling aan
geweld. Het blijft een open vraag of een dergelijke ontkenning door een
slachtoffer van zijn slachtofferrol iets anders voorstelt dan een poging om
dergelijke gevoelens te onderdrukken en om aan stigmatisering te ontsnappen
door het gebruik van humor, ook al is die op hemzelf gericht. Mannen kunnen
geweld ten opzichte van henzelf en zelfs de opgelopen verwondingen met
weinig zichtbare bezorgdheid bekijken, alhoewel ze naar we mogen aannemen
van binnen een trauma ervaren, uitsluitend vanwege de behoefte om een gevoel
van kwetsbaarheid te ontkennen (Levant, 1991). Het sla-de-hufter scenario
lijkt een voorbeeld van de toepassing van het beschuldigen van het
mannelijke slachtoffer gebaseerd op stereotype opvattingen dat het niet
schadelijk is en dat mannen dergelijke bestraffingen zouden moeten
accepteren voor alle werkelijke en vermeende gebreken in hun gedrag. Het
samenvallen van mannelijk en vrouwelijk huiselijk geweld in termen van een
bepaalde psychiatrische toestand werd gesuggereerd door Bates (1981),
alhoewel ook onafhankelijk daarvan wordt geschat dat minder dan 10 % van
geweld in het gezin verklaard kan worden uit een of andere psychopathologie
(Gelles & Straus, 1988). In tegenstelling daarmee hebben enkelen
gesuggereerd dat gezinsgeweld veel voorkomt bij individuen met speciale
geestelijke gezondheidsproblemen(Gondolf, Mulvey & Lidz, 1989). Sommers,
Barnes & Murray (1992) hebben het standpunt, afkomstig uit sociologische
studies, dat mentale stoornissen een verwaarloosbare rol spelen in het
ontstaan van huiselijk geweld, bekritiseerd. Bland & Orn (1986) bijvoorbeeld
vonden een positieve correlatie tussen bepaalde persoonlijkheidsstoornissen,
alcoholmisbruik en geweld tegen een huwelijkspartner of kinderen bij zowel
mannelijke als vrouwelijke agressors. Sommers, Barnes & Murray (1992) vonden
bepaalde factoren met een grotere voorspellende waarde voor zowel
vrouwelijke als mannelijke mishandelaars, namelijk jong zijn en het bereiken
van hoge scores op Eysink’s Psychose schaal, de Neuroticiteitsindex en de
McAndrew schaal. Op vergelijkbare wijze vond O’Leary (1993) in zijn
steekproef dat de mannen die slaan ook hoog scoorden op de Minnesota
Multifase Persoonlijkheidsinventarisatie, maatstaven voor emotionele
stabiliteit of blijk gaven van bepaalde persoonlijkheidsstoornissen.
Dus ondanks het feit dat bepaalde psychiatrische condities waarschijnlijk
gelieerd zijn aan een neiging tot gewelddadigheid, is er relatief weinig
aandacht in de meeste literatuur voor de rol van
psychiatrische/psychologische criteria bij het ontstaan van interechtelijke
geweld. Jaloezie bijvoorbeeld is in verband gebracht met patronen van
mishandeling en zelfs moord van man en vrouw(Bourlet, 1990; Docherty &
Ellis, 1976; Freeman, 1990; Renzetti, 1992; Seeman, 1979; Tarrier, Beckett &
Ahmed, 1989). Als we een sluitende theorie over de oorzaken van gezinsgeweld
willen ontwikkelen zullen het samenspel tussen sociale, psychologische en
fysiologische factoren moeten integreren en definiëren (Johnston & Campbell,
1993). In plaats van te veronderstellen dat we alle antwoorden hebben door
alleen te focussen op de sociale (bijv. machtsstrijd in relaties) of de
psychologische (bijv. de behoefte om te domineren), moeten we alle
mogelijkheden bekijken. Er is bijvoorbeeld verder onderzoek nodig naar de
onderliggende neuro-chemische afwijkingen (bijv. een gebrekkig Raphe
5-Hydroxytryptamine systeem), dat leidt tot impulsiviteit, verhoogde
agressiviteit en gewelddadig gedrag in sommige individuen. Medische studies
laten zien dat sommige vrouwen, net zoals sommige mannen, bepaalde trekken
vertonen die hen lijken voor te bestemmen voor geweld en misbruik van een
partner(Brown et al. , 1979; Lidberg, Asberg, & Sundqvist-Stensman, 1984;
Lidberg et al., 1985; Linnoila et al., 1983). In plaats van alleen op
sociale theorieën over gezinsgeweld te focussen moeten we partnermisbruik
opnieuw bekijken in het licht van wat de neurowetenschappen ons kunnen leren
over gezinsgeweld.
MANNEN ALS SLACHTOFFER: HET GROTE TABOO
Straus & Gelles (1986) vatten het probleem goed samen dat we ondervinden als
we mannelijke slachtoffers van vrouwelijk geweld bespreken wanneer ze zeggen
“Geweld door echtgenotes is geen onderwerp van maatschappelijke zorg
geweest”
Er is geen publiciteit over geweest, en er zijn geen fondsen geïnvesteerd in
het verbeteren van dit probleem omdat het niet als een “probleem” is
gedefinieerd (p. 472). Het kan gesteld worden dat door vrouwenmishandeling
als het probleem te zien, en mannenmishandeling als een non-probleem, er
bijna niet aan realistische schattingen van mannenmishandeling, of ze nu
groot of klein zouden zijn, te komen is. Het is nogal gemakkelijk
bijvoorbeeld om te stellen dat mishandelde mannen slechts zelden en als
geïsoleerde gevallen voorkomen. Bijna alle mannelijke slachtoffers zijn
geïsoleerde gevallen dankzij de relatieve zeldzaamheid van groepen die
bereid zijn om hun slachtofferstatus te erkennen. Het is een feit dat een
groot deel van de sociale instellingen die met gezinsgeweld omgaan zich
uitsluitend op vrouwelijke slachtoffers richten. We zouden dus niet verbaasd
moeten zijn als deze groepen geen bewijs vinden voor mannelijke slachtoffers
van huiselijk geweld. Verder pleit the gepolitiseerde aard van huiselijk
geweld in de academische wereld tegen het vinden van enig bewijs van
mannelijke slachtoffers (Notitie 3). Als gevolg daarvan zullen sommige
professionals ongevoelig of zelfs vijandig zijn tegen een man die zichzelf
beschrijft in termen van een slachtoffer (Machietto, 1992). Daar komt nog
bij dat de traditionele stereotypen geloofwaardigheid aan een vrouw
verschaft om als slachtoffer gezien te worden. The stereotypen verbonden aan
mannen echter leiden meestal tot het ontkennen van zo’n mogelijkheid of tot
ridiculisering van het idee van man-als-slachtoffer(Farrell, 1993;
Wilkinson, 1981). Dit weerhoudt mannen er duidelijk van om zoiets toe te
geven (Machietto,1992; Steinmetz, 1980). Ook kunnen mannelijke slachtoffers
er zich, eventueel alleen vaag, van bewust zijn dat het opeisen van
slachtofferstatus alleen maar zal leiden tot een ongunstige of
ongelijkwaardige behandeling in vergelijking met vrouwelijke
slachtoffers(Harris & Cook, 1994). Als een man is aangevallen door zijn
vrouw en besluit om de politie te bellen, is hij degene die waarschijnlijk
gearresteerd wordt (aangehaald in Wolff, 1992, p. 22).
Zij sloeg me tot pulp; niemand wilde me geloven. (Mannelijk slachtoffer en
bewoner van de Kingsland Estate, Hackney, Londen, Engeland die spreekt in
Kingsland, kanaal 4, Televisie Documentaire, 4 juni 1992)
Als je met je vrienden praat is het moeilijk om toe te geven dat je
geterroriseerd wordt door een vrouw (aangehaald in Kent, 1993, p. 37).
Als ze wisten hoe ze me alle hoeken laat zien, en het feit dat elke keer dat
het gebeurt ze er in slaagt om me te verrassen, mij onverwacht te grazen
neemt, kun je jezelf wel voorstellen hoe ze me zullen afzeiken (geciteerd in
Kirsta, 1994, p. 237)?
Steinmetz (1980) heeft gesuggereerd dat sommige mannen, volgens hun
traditionele maatschappelijke normen, het onmannelijk vinden om een vrouw
aan te vallen of zelfs om terug te slaan bij een aanval door een vrouw.
Verder, wanneer een man en een vrouw gewelddadige man-vrouw interacties
waarderen, dan ervaren ze man-tegen-vrouw agressie negatiever dan
vrouw-tegen-man geweld(Arias & Johnson, 1989). Impliciet heeft
vrouw-tegen-man geweld een soort van maatschappelijke acceptatie die niet is
weggelegd voor man-tegen-vrouw geweld (Greenblatt, 1983). Dus terwijl wordt
gezegd dat “de maatschappij de houding van de meeste mannen en vrouwen niet
lijkt te vormen om het gebruik van geweld van mannen tegen vrouwen te
accepteren... ” (O'Leary, 1993, p. 24), zouden we kunnen stellen dat de
maatschappij het gebruik van geweld van een vrouw tegen een man lijkt te
gedogen. En tenslotte, het hele probleem van mannelijke slachtofferrol
krijgt waarschijnlijk nauwelijks aandacht vanwege de bedreiging die het
vormt voor het mannelijke zelfbeeld en de “patriarchale” autoriteit, meer
nog dan de mogelijke bedreiging die het vormt voor de inspanningen om de
vrouwelijke slachtofferrol te bestrijden. Het gebrek aan aandacht voor
vrouwelijke agressie, in tegenstelling tot mannelijke agressie, vindt zijn
oorsprong mogelijk in de debatten tussen deskundigen over natuur, cultuur en
geslacht waarin “overeenkomst” of “verschil” de kernbegrippen zijn; maar
eigenlijk komt het voort uit een weerstand om de overeenkomsten tussen
mannen en vrouwen te bezien (Fry & Gabriel, 1994). Het is dus niet
verwonderlijk dat huiselijk geweld tegen vrouwen, in tegenstelling tot die
tegen mannen, een maatschappelijk geaccepteerde bezorgdheid vormt en als
zodanig onderzoek en ondersteuning aantrekt. Dit versterkt twee vrij
gemakkelijk te herkennen maatschappelijke stereotypen, vrouwelijke
kwetsbaarheid en mannelijke autoriteit of dominantie, en beschermingsdrang.
Het toegeven en erkennen van de mannelijke slachtofferrol, als geslagen
echtgenoot, is de antithese van deze geaccepteerde orde en een
gelijkwaardigheid tussen de seksen waartegen historisch gezien weerstand
bestond, speciaal van mannen (vergelijk bijv. de uitspraken in de Willan vs.
Willan en Teal vs. Teal zaken, Bates, 1981). Het kan gesteld dat de
maatschappelijke waarden (zoals patriarchaat) die de grondslag vormen voor
het mannelijke geweld tegen vrouwen, ook de basis vormen voor het gebrek aan
acceptatie van de mishandelde man. De reden waarom het
“geslagen-man-syndroom” zo wordt gekleineerd en als een niet-bestaand
maatschappelijk probleem wordt gezien kan gevonden worden in de patriarchale
ethiek dat de vrouwelijke slachtofferrol versterkt. Door het debat over
huiselijk geweld alleen voeren op basis van sekse, lichaamsbouw en –kracht,
in plaats van op basis van inherente houdingen en neigingen van individuen
om geweld te gebruiken en misbruik als een strategie in relaties, zal de
vrouwelijke slachtofferrol blijven bestaan evenals de onzichtbare
slachtofferrol van sommige mannen zowel binnens- als buitenshuis. Het feit
dat zo velen in de maatschappij, inclusief sommige onderzoekers, zo onwillig
zijn in het accepteren van het voorkomen van eenzijdige mishandeling van
mannen door vrouwen komt grotendeels door de ernstige bedreiging die zulke
feiten betekenen voor de gekoesterde mannelijke en vrouwelijke stereotypen.
Terwijl de meeste mensen mannelijke slachtoffers van huiselijk geweld
slechts zien als onderwerp van ongeloof of van humor, is het een feit dat
sommige mannen worden geslagen. Afgezien van hun aantal, verdienen
mishandelde mannen beter dan om gezien te worden als weinig meer dan
voetnoten uit vroege historische perioden toen ze werden afgewezen en
gedwongen om achterstevoren op een ezel rond te rijden.
Notities
1. Richard Gelles en Murray Straus (1988), twee van de leidende onderzoekers
van gezinsgeweld hebben beschreven hoe het vaak verhitte debat over het
probleem van mishandelde mannen er aan bijdroeg om elke serieuze studie van
het onderwerp te verhinderen als ook een signaal gaf aan vele goedwillende
experts om het onderzoeksveld totaal te vermijden. Zij schrijven:
Misschien is het meest ongelukkige resultaat van de strijd over mishandelde
mannen dat er sinds het debat van eind zeventiger jaren bijna geen
aanvullend onderzoek gedaan is over het onderwerp. De furore onder sociale
wetenschappers en in de media heeft het hele onderwerp besmet. Als gevolg
daarvan hebben we elk verzoek voor een interview geweigerd uit angst om
opnieuw fout geciteerd, fout geïntroduceerd of fout gerepresenteerd te
worden. Andere sociale wetenschappers die het misbruik tegen onze
onderzoeksgroep zagen groeien - speciaal tegen Suzanne Steinmetz – zijn met
een grote boog om het topic mishandelde mannen heen gelopen(pp. 105-106).
2. De Conflict Tactiek Schaal, ontworpen door Murray Straus (1978, 1979) en
verscheidene medewerkers van de Universiteit van Minnesota, bestaat uit
verscheidene schalen ontworpen om allerlei manieren waarop gezinsleden
proberen met conflicten thuis om te gaan te evalueren. De Conflict Tactiek
Schaal is onderverdeeld in drie delen, met een deel met een serie vragen
over escalerende niveaus van bedreiging of van feitelijke fysieke aanvallen
tussen volwassen partners. Beginnend met “Dreigend met slaan of met iets
naar de ander te gooien”, besluit het met “gebruikte een mes of vuurwapen
tegen de ander.” De schaal met acht punten wordt vaak door onderzoekers
geanalyseerd in termen van minder ernstig en ernstig geweld; ernstiger
geweld betreft die daden met een grotere kans op verwonding. Vergelijkt
Straus (1993) voor een recente discussie over de geldigheid en bekritisering
van de Conflict Tactiek Schaal.
3. We kunnen constateren dat “mannenmishandeling” een meer emotioneel
omstreden en politiek beladen probleem is in de VS dan in vele andere
geïndustrialiseerde landen. In Zweden bijvoorbeeld zijn er
“Blijf-van-mijn-lijfhuizen” voor mannelijke slachtoffers van geweld (Kirsta,
1994). In een ander voorbeeld van het verschil in houding tegenover
mannelijke slachtoffers rapporteerde Inspecteur Sylvia Aston, West Midlands
Regio politie (UK):
We hebben het absoluut duidelijk gemaakt door onze training dat geen enkele
politieagent ooit een mannelijk slachtoffer van huiselijk geweld afwijst
juist omdat hij een man is. We nemen niet de houding aan van dat een man uit
huis kan weglopen - velen kunnen het niet. En het zijn zonder uitzondering
de aardige gevoelige typen die geslagen worden. We lopen het risico lopen
diep te zinken denk ik door te discrimineren tussen de seksen in dit soort
overtredingen. Enige van de meest gewelddadige mensen waarmee ik te maken
heb gehad als politie agente zijn vrouwen en als je een vrouw niet
beoordeelt op haar misdaad, maar op haar geslacht, dan bevestig je niet
alleen de oude, misleidende stereotypen maar loop je ook het gevaar dat
zulke overtredingen zich herhalen, misschien in een andere relatie.
Huiselijk geweld zoals wij het zien is geen vrouwenprobleem - het is een
sociaal probleem (geciteerd in Kirsta, 1994, p. 229).
T
|
|
|