Vaderschap in de achttiende eeuw: de gebroeders Van der Muelen 

Over de afbeelding

 

 

Door Benjamin Roberts

Samenvatting

Over het vaderschap in de vroeg-moderne tijd is weinig bekend. Adviesboeken richtten zich voornamelijk op moeders wat de fysieke opvoeding van kinderen betreft. Op grond van de bestudering van iconografische bronnen veronderstelt Simon Schama niettemin dat vaderlijke betrokkenheid bij de zorg voor het welzijn van kinderen bij het ideaalbeeld hoorde. In dit artikel staat een andere bron, namelijk egodocumenten, centraal. De correspondentie van twee broers, Jan André (1703-1760) en Joseph Elias van der Muelen (1707-1781) wordt onderzocht. Deze briefwisseling is begonnen to en Jan André trouwde in 1738 en eindigde met zijn dood in 1760. Jan André kreeg zeven kinderen en Joseph Elias vier. Twee thema’s domineerden deze correspondentie: geboorten en ziekten van de kinderen. De vaderlijke betrokkenheid komt bijvoorbeeld tot uitdrukking in het enthousiasme over de geboorte van een kind of in ernstige bezorgdheid wanneer een kind geveld was door de pokken. Deze correspondentie biedt nieuwe gezichtspunten met betrekking tot de rol van de vader in de vroeg-moderne tijd.

Inleiding

Volgens de Harvard historicus John Demos is de onderzoeksagenda van gezinsgeschiedenis vergelijkbaar met een zinkend schip: vrouwen en kinderen eerst.' Voor de vroeg-moderne tijd is, anders dan ten aanzien van vrouwen en kinderen, weinig onderzoek verricht naar vaders en vaderschap. Op het eerste gezicht is dit niet zo verwonderlijk, omdat zeventiende- en acht-tiende-eeuwse adviesliteratuur over kinderverzorging nauwelijks melding maakte van betrokkenheid van vaders. Auteurs van dergelijke adviesboeken - moralisten en medici zoals Jacob Cats, Johan Beverwijck en Stephan Blanchaart - richtten zich vooral tot moeders.‘ Dit lijkt vreemd gezien het feit dat in deze periode veel moeders in het kraambed stierven.’ Op grond van afbeeldingen van vaders op schilderijen en emblemata uit de zeventiende eeuw veronderstelt Simon Schama dat deze wel degelijk actief waren in de verzorging van kinderen. Een voorbeeld hiervan is een embleem van Johan de Brune. Het toont een vader die zijn huilend kind midden in de nacht verzorgt terwijl de moeder slaapt. Boven dit embleem staat: ’Schreeuw, in nood, naer s’hemels brood’. Schama meent dat het beeld van de vader hier een metafoor is voor de Vader in de hemel maar ook kan worden opgevat als een ideaalbeeld voor de vader in het gezin.'
Hoe is de afwezigheid van vaders in de adviesliteratuur te rijmen met dit ideaalbeeld van een aanwezige en zorgende vader? Om deze discrepantie op te lossen, wordt in dit artikel een andere bron onderzocht, namelijk egodocumenten. De correspondentie tussen twee broers dient hier als bron om de rol van de vader in de achttiende eeuw te verhelderen. Het betreft de briefwisseling tussen de gebroeders Van der Muelen: Jan André (1703-1760) en Joseph Elias (1707-1781). De familie Van der Muelen maakte in de zeventiende en achttiende eeuw deel uit van de stedelijke elite van Utrecht, Zutphen en Amsterdam. In dit artikel wordt nagegaan wat de gebroeders Van der Muelen schreven over het lichamelijk welzijn van hun kinderen. Op grond daarvan proberen we het betrekkelijk ’lege’ historische beeld van het vaderschap nader in te kleuren. Tevens wordt stilgestaan bij de verhouding tussen de pedagogische inspanningen van de beide broers en hetgeen uit de literatuur bekend is omtrent vaders en opvoeding in andere westerse landen.’

De gebroeders Van der Muelen

Om het verhaal van de gebroeders Van der Muelen te kunnen plaatsen, is het nodig eerst de voorgeschiedenis van hun familie te schetsen, zodat zij in een economische, politieke en sociale context komen te staan. De familie Van der Muelen was van oorsprong een hervormd protestants koopmansgeslacht uit Antwerpen, dat na de val van die stad in 1585 naar de Noordelijke Nederlanden was gevlucht. Andries van der Muelen (1554-1600), de betovergrootvader van Jan André en Joseph Elias, vestigde zich in Utrecht, waar hij zijn handelscontacten voortzette. Door florerende zaken en een succesvol huwelijksbeleid, dat de familie met vooraanstaande regenten-, burgemeesters-, en bankiersfamilies verbond, maakten de Van der Muelens anderhalve eeuw na hun aankomst in de Republiek deel uit van de economische, politieke en culturele elite.' Jan Carel van der Muelen - de vader van Jan André en Joseph Elias – bracht het uiteindelijk tot burgemeester van Utrecht. Hij trouwde in 1701 met Constantia Eliana Huijdecoper. Tussen 1702 en 1720 werden tien kinderen geboren: de oudste zonen waren Jan André en Joseph Elias. Hun levensloop liep bijna parallel. Beide broers studeerden rechten aan de Universiteit van Utrecht. Jan André werd burgemeester van Zutphen en Joseph Elias vervulde dezelfde functie te Utrecht. Jan André trouwde in 1737 met Charlotte de Geer en Joseph Elias trouwde in 1738 met Maria de Malapert. Tien jaar later waren ze beiden weduwnaar. Jan André was met zeven kinderen achtergebleven, Joseph Elias met vier. In de periode 1738-1760 onderhielden zij een drukke briefwisseling, waarin onder andere twee thema’s aan de orde kwamen die verband houden met het fysieke welzijn van hun kroost; geboorten en ziekten. Sinds hun weduwnaarschap veranderde de inhoud van de correspondentie niet opvallend. Hun brieven bespraken zoals tevoren de belangrijke gebeurtenissen in het leven van hun kinderen: aanvankelijk de geboorten, naderhand ziekten.

Geluk en verdriet in het vaderschap

De geboorte van een kind
Beide broers werden binnen één jaar na hun huwelijk vader. De geboorte van een kind was voor hen een bijzonder vreugdevol)e gebeurtenis. Dit blijkt uit een brief uit 1738, het jaar waarin Jan André en Charlotte de Geer hun eerste kind verwachtten.’ Ook egodocumenten uit andere landen, zoals Engelse en Amerikaanse dagboeken uit de zeventiende en achttiende eeuw, tonen aan dat vaders bij de geboorte van een kind dolgelukkig waren.‘ In oktober 1738 werd een gezonde zoon, Jan Carel, geboren. Behalve het geluk verwoordden de brieven ook de zorg om het vinden van een geschikte peetouder voor de kinderen. Dit in het geval één of beide ouders zouden komen te overlijden. Meestal ging het om een familielid; een kind werd dikwijls naar die man of vrouw vernoemd.' De stedelijke elite zocht de peetouders bij voorkeur in de kring van ongetrouwde broers en zusters, omdat dezen meestal in staat waren een genereuze pillegift te schenken. Zo’n gift kon variëren van een obligatie tot de jaarlijkse inkomsten van een ambt.'º Het vinden van een peetouder was vaak een moeilijke aangelegenheid. Jan André schreef zijn broer dat de gekozen peetoom, de heer van Hertrimen, zich terug had getrokken. Joseph Elias maakte zijn broer attent op het feit dat het peetouderschap serieus moest worden genomen, want als de ouders van een kind kwamen te overlijden, zou de peetouder de verantwoordelijkheid voor dit kind moeten dragen." De grote betekenis die men hieraan toekende wordt geïllustreerd door het volgende voorbeeld. Bij de geboorte van het vijfde kind van Jan André en Charlotte in 1744 bleek geen enkele broer of zus bereid peetouder te worden. Zelfs Joseph Elias verontschuldigde zich met als argument dat zijn vrouw op dat moment voor de vierde keer zwanger was. Deze afwijzing baarde de vader duidelijk zorgen."

Een opmerkelijk aspect van de correspondentie is dat de broers elkaar informeerden over het wel en wee van het geven van borstvoeding door hun echtgenotes. Gezinshistorici twisten over de vraag of in de vroeg-moderne tijd moeders hun kinderen de borst gaven. Valerie Fildes constateerde op basis van onderzoek dat in de vroeg-moderne tijd onder de rijken van heel Europa veel gebruik werd gemaakt van een min." Nederlandse medici en moralisten bepleitten echter al in de zeventiende eeuw dat moeders zelf de borst zouden geven." In de achttiende eeuw gebeurde hetzelfde." Ten aanzien van de vraag of moeders uit de Nederlandse elite wel of niet de borst gaven, bevestigt deze correspondentie dat dat inderdaad het geval was. Joseph Elias beschreef hoe zijn vrouw het kind aan de borst legde. Ook uit ander onderzoek naar het gebruik van minnen in de Republiek kwam naar voren dat moeders hun kinderen zelf zoogden; slechts indien een vrouw het lichamelijk niet aankon, werd een min gezocht."

Verrassend is ook dat de broers elkaar in hun brieven informeerden over de bevallingen van hun echtgenotes. In 1739 schreef Joseph Elias over de niet alledaagse geboorte van zijn zoon:

’Op die ochtend waren mijn vrouw en ik alleen thuis, toen Maria tekenen van arbeid begon te voelen. Degene[n] met ervaring op verloskundig gebied – de vroedvrouw en moeder [Joseph Elias’ moeder: BR] - waren weg die dag. Ik was met paniek overvallen dat ik het kind zelf moest verlossen. Gelukkig werd een vrouw uit het nabije Driebergen gevonden die meer verstand van zaken had.’"

Een maand later lezen we dat het zoontje verkouden was maar de hele nacht doorsliep zonder wiegen. Het kindje groeide voorspoedig op want ’het werd dik en vet’." Omdat Joseph Elias’ vrouw toen twee maanden zwanger was werd de kleine Jan Carel al op de leeftijd van acht maanden gespeend." Het was gebruikelijk dat zogende moeders hun kinderen speenden zodra een nieuwe zwangerschap zich had aangekondigd. In de Duitse gebieden werden in de zestiende en zeventiende eeuw kinderen op de leeftïjd van circa één jaar, eigenlijk zodra ze konden kauwen, gespeend. Dit was ook het geval onder puriteinse ouders in het zeventiende- eeuwse Noord Amerika, die hun kinderen vanaf twaalf maanden speenden.‘º

Kinderziekten
Na de dood van zijn vrouw in 1746 stond Joseph Elias alleen voor de verzorging van zijn kroost. Hij was zich zeer bewust van deze zware verantwoordelijkheid: ’het valt zwaar met vier onnozele kinderen over te blijven, doch heb ik wederom reden de Heer te danken dat die frisch en gezond zijn. Ik bid vuriglijk dat Hij die een vader van wezen is en vader over zelve zal zijn, en mïj bekwaam maken om ze in de vrees van zijn Heilige name op te brengen op dat zij nog ’t eeniger tijd vaten 't zijner verheerlijking mochten werden."

Drie jaar later, in 1749, stierf ook de vrouw van Jan André. In de periode die daarop volgde schreven zij regelmatig over ziekten van de kinderen. In het voorjaar van 1749 werd het jonge gezin van Jan André, bestaande uit twee zonen en vijf dochters, geplaagd door de pokken. Uit de brieven van Joseph Elias komt naar voren dat Jan André zich bijzonder veel zorgen maakte over zijn kinderen. Joseph Elias, die als alleenstaande vader ervaring had op het terrein van kinderziekten, probeerde zijn broer gerust te stellen door het gevaar van de pokken te relativeren. Hij schreef aan Jan André: ’gelukkig was de kinderziekte niet van het kwaadste soort want als men nadenkt dat genoeg mensen die ziekte vroeg of laat in hun leven krijgen – wij mogen dankbaar zijn dat wij het vroeg hebben gekregen.’"

Volgens Joseph Elias werd het onderscheid tussen de kwade en milde variant van kinderziekten door God bepaald." Zeventiende-eeuwse Engelse puriteinen hadden vrijwel hetzelfde religieuze denkkader. Dominee Ralph Josselin schreef bijvoorbeeld in 1651 in zijn dagboek: ’The Lord’s hand is abated in the distempers of the small pox.’" Twee weken later vernemen wij dat Jan André’s jongste zoon Jan Jacob en de jongste dochter Louisa weer beter waren, maar dat zijn oudste dochter Jacquelina en de kindermeid die samen de kinderen hadden verpleegd, beiden ziek werden."

Kinderziekten werden zo gevreesd, dat sommige ouders hun kinderen ertegen lieten inenten. In de Republiek stond het verschijnsel inenting nog in de kinderschoenen. Joseph Elias vond het te riskant en had daarom niet de moed zijn kinderen te laten inenten." In de jaren twintig en dertig van de achttiende eeuw werden de kinderen van de Engelse aristocratie al op grote schaal tegen de pokken ingeënt. Dit betekende echter niet dat de vrees van ouders voor kinderziekten minder werd. Ook Engelse dagboekschrijvers uit de achttiende eeuw waren ondanks de inenting van hun kroost niet vrij van angst."

Jan André, de jongste zoon van Joseph Elias, was vaak ziek. Door een ernstige koorts verloor de jongen op elfjarige leeftijd al zijn haar. Zijn vader kocht een pruik voor hem. Eén jaar later werd de kleine Jan André wederom ziek. Deze keer werd hij door zijn broer Peter met de pokken aangestoken, Tot grote opluchting van zijn vader was hij na twee dagen weer dartel en vrolijk en volgens zijn vader buiten levensgevaar." In achttiende-eeuwse Engelse dagboeken komt eenzelfde soort bezorgdheid naar voren."

Echter, niet alle ziekten van kinderen van de broers hadden een voorspoedige afloop. In 1747 schreef Joseph Elias:

’mijn (vier-jarig) zoontje Willem werd dodelijk swak en sal vreese ik uyt gebrek aan voedsel sterven, want wil - wat moeyte men ook doet – geen voedsel nog medicamen- ten neemen - heeft alleen maar wat water en melk genomen en dat nog maar zeer wynig, soo dat naer is om aan te sien, hope dat de Heer die maghtig is, het kint nog sal herstellen.‘

Er was geen uitzicht op herstel en de kleine Willem stierf kort daarna. Uit de brieven kan niet worden opgemaakt aan welke ziekte hij bezweek.

Ook Jan André van der Muelen werd door het ongeluk bezocht: in 1756 verloor hij een dochter. Joseph Elias condoleerde zijn broer met dit grote verlies. Hij begreep dat het moeilijk was voor zijn broer om het verlies van zijn dochter te verwerken, te meer omdat zij reeds een leeftijd had bereikt waarop kinderen niet zo snel meer stierven. De dood van een jonger kind bleek gemakkelijker te aanvaarden dan de dood van een kind dat al ouder was. Maar ondanks zijn verdriet liet Joseph Elias weten dat zijn dochter verlost was van alle ongemak en lijden in deze wereld. Zij verkeerde nu in het hemelse paradijs; voor Joseph Elias was dit een dubbele reden om de Heer te danken." Ook Engelse en Amerikaanse egodocu-menten onthullen dat ouders veel verdriet ervoeren bij het verlies van een kind." In de vroeg-moderne tijd waren vaderlijke affectie en het uiten van verdriet niet ongewoon. Of zoals Stearns het verwoordde: ’pre-modern people found it rather natural to be sad – men wept with relative ease - and certainly this sadness was often tapped by the fates of children.’"

Conclusie

Deze correspondentie bevestigt de veronderstelling van Schama dat ook vaders betrokken waren bij het welzijn en de verzorging van hun kinderen. Volgens hun briefwisseling waren zij actief betrokken bij de belangrijke gebeurtenissen in het leven van hun kinderen, met name bij geboorten en ziekten. De blijdschap over de geboorte van een zoon of dochter werd overschaduwd door de zorg om het vinden van een geschikte peetouder bij wijze van voorzorg. Een onverwacht thema in de correspondentie is de aandacht voor borstvoeding van de kinderen. Ook de bezorgdheid van de broers over de ziekten van hun kinderen komt duidelijk naar voren. Zij hielden elkaar op de hoogte van het wel en wee van hun kroost en steunden elkaar in moeilijke tijden. Beiden waren zich ervan bewust dat sommige kinderziekten, zoals de pokken, een dodelijke afloop konden hebben. Een tragische werkelijkheid die zowel Jan André als Joseph Elias moesten ondervinden.
Deze bezorgdheid komt overeen met de gevoelens van de Engelse puriteinse predikant Ralph Josselin in de zeventiende eeuw en met die van andere vaders in de vroeg-moderne tijd. Het beeld van het vaderschap, dat de correspondentie tussen de gebroeders Van der Muelen oproept, wijkt aanzienlijk af van de suggestie van afwezigheid van vaders, die wordt gewekt door adviesboeken uit dezelfde tijd. Deze twee vaders maakten zich grote zorgen over het welzijn van hun kroost. De boodschap moet voor gezinshistorici duidelijk zijn: de vaders aan boord van zinkende schepen moeten ook worden gered!

Summary

Until recently fatherhood in Early Modern History bas been a terra incognita. Dutch advice books in the 17th century addressed mothers when it came to the physical upbringing of children, which gives the impression that fathers were not involved. However, Simon Schama speculates according to iconographic evidence that fathers were involved in the physical upbringing of their children. In this article another source is used to solve this discrepancy: personal documents. The correspondence is examined of two brothers: Jan André (1703-1760) and Joseph Elias van der Muelen (1707-1781). This correspondence started in 1738 when the older brother Jan André married and ended when he died in 1760. In this period Jan André had seven children and Joseph Elias had four. How were the brothers involved in the physical upbringing of their children? Two themes dominated the correspondence: the births and sicknesses of their children. The brothers were quite involved in the physical upbringing of their children. This is evident in their letters of joy when a child was born, and feelings of anxiety when a child was sick with the deadly smallpox virus. The correspondence gives a new perspective of fatherhood in Early Modern History.

Noten

1. Demos (1986), 41. Hoofdstuk 3 'The changing faces of fatherhood’ is een overzicht van de ontwikkeling van vaderschap in de Verenigde Staten van Amerika.

2. Kloek, van Oostveen & Teeuwen (1992), 20-39; Blanchaart (1684), 2-4.

3. Dekker (1995), 18. Het exacte aantal vrouwen dat de dood vond in het kraambed in de Republiek is niet bekend. Volgens Noordam beliep de kraamvrouwensterfte 16 per 1000 bevallingen onder de vrouwen van de Leidse veertigraden in de periode 1625-1700: Noordam (1994), 74.

4. Schama (1987), 541-544. Schama speculeert voorzichtig over de vaderlijke betrokkenheid bij het gezin en maakt geen vergelijking met de huisvader van nu.

5. Dit artikel is een integraal onderdeel van een dissertatie over opvoeding van kinderen binnen de stedelijke elite in de Republiek.

6. Coumans (1984), 99-120.

7. Rijksarchief Utrecht (RAU), Familiearchief (FA) Van der Muelen, nr. 157, brieven 25 april 1738 en 17 juni 1738.
8. Stearns (1991), 31.
9. Smith (1985), 554; Goody (1983), 201.

10. De Jong (1987), 100-102. Burgemeester Six van Amsterdam schonk in 1730 de opbrengsten van het ambt van postmeester te Antwerpen als pillegift. Het betrof een jaarlijks inkomen van fl. 11.678 Volgens het dagboek van de zeventiende-eeuwse Engelse predikant Ralph Josselin waren peetouders vaak verwanten: MacFarlane (1970), 145.
11. RAU, FA Van der Muelen, nr. 157, brief 3 okt. 1738.
12. RAU, FA Van der Muelen, nr. 157, brief 19 juni 1744.

13. Zelf de borst geven of aan een min uitbesteden zijn crucicale punten voor orthodoxe resp revisionistische gezinshistorici. Voor de eersten geldt het uitbesteden van een kind aan een min als een gebaar van onverschilligheid. Het kwam veel voor in de vroeg-moderne tijd, zoals V. Fildes m.n. voiir Engeland heeft aangetoond. Puriteinse moeders vormden een uitzondering; zij hielden stug vol om zelf hun kinderen te zogen. Het gebruik van een min was het meest verbreid onder rijken, weeskinderen, arme kinderen zonders moeders en vondelingen: Fildes (1988), 79-85; Fildes (1986) 152. 1n Frankrijk bereikte het gebruik van een min een hoogtepunt in de 18de eeuw. In Parijs was het gebruik van een min toen zo gewoon dat de stad min-bemiddelaars aanstelde. In de periode 1730-1740 werd meer dan de helft van de Parijse kinderen aan een min op het platteland uitbesteed. Vooral ambachtslieden en kleine winkeliers maakten van deze bemiddeling gebruik. Rijkere Parijzenaars zochten een min via persoonlijke contacten: Sussman (1982), 19-36.

14. Cats (1625), 43; Blanchaart (1684), 9-10. In de Noordelijke Nederlanden stimuleerden in de 17e eeuw m.n. piëtisten moeders zelf hun kinderen de borst te geven: Groenendijk (1976), 583-59O; Groenendijk (1984) 141-142.
15. Hartog (1890), 101.
16. Kloek (1991), 15.
17. RAU, FA Van der Muelen, nr. 157, brief 7 sept. 1740.
18. RAU, FA Van der Muelen, nr. 157, brief 20 okt. 1740.
19. RAU, FA Van der Muelen, nr. 157, brief 10 juni 1741.
20. Resp. Ozment (1983), 121; Demos (1970), 133.
21. RAU, FA Van der Muelen, nr. 157, brief 9 aug. 1746.
22. RAU, FA Van der Muelen, nr. 157, brief 13 mei 1749.
23. RAU, FA Van der Muelen, nr. 157, brief 29 april 1749.
24. MacFarlane (1970), 173.
25. RAU, FA Van der Muelen nr. 157, brief 13 mei 1749.
26. RAU, FA Van der Muelen, nr. 157, brief 20 febr. 1754.
27. Trumbach (1978), 194; Pollock (1983), 130-131.
28. RAU, FA Van der Muelen, nr. 157, brieven 11 febr. 1757 en 26 mei 1758.
29. Pollock (1983), 130-131.
30. RAU, FA Van der Muelen, nr. 157, brief 10 febr. 1747.

31. Deze conclusie trek ik op basis van ander onderzoek met gebruik van egodocumenten: Prak (1985), 195; De Jong (1985), 180-181.
32. RAU, FA Van der Muelen, nr. 157, brief 2 april 1756.
33. O’Day (1994), 167; Pollock (1983), 128-131; Pollock (1987), 125.

34. Stearns, P. (1991), 31. Deze conclusie is gebaseerd op onderzoek door C.Z. Stearns (1988) en Roberts (1995).

Literatuurlïjst

Blanchaart, S. (1684). Verhandelinge van de opvoedinge en ziekten der kinderen. Amsterdam: Hieronymus Smeerts.
Cats, J. (1625). Houwelick: Dat is het gansch beleyt des echten-staets, afgedeylt in zes hooft-stucken. Middelburgh: Uitgeverij Jan Pietersz. van de Venne.
Coumans, G. (1984). ’Geld en ge1uk: de familie van der Muelen in gezinsperspectief 1600-1800’, Jaarboek Oud Utrecht 87, 99-120.
Dekker, J.J.H. & Groenendijk, L.F. (1991). ’The Republic of God or the Republic of children? Childhood and child-rearing after the Reformation. An appraisal of Simon Schama’s thesis about the uniqueness of the Dutch case’, Oxford Review of Education, 17 (3), 317-335.
Dekker, R. (1995). Uit de schaduw in 't grote licht. Kinderen in egodocumenten van de Gouden Eeuw tot de Romantiek. Amsterdam: Wereldbibliotheek.
Demos, J. (1986). Past, present, and personal. The family and life course in American history. New York/Oxford: Oxford University Press.

Benjamin Roberts is werkzaam bij de Vakgroep Pedagogiek en Onderwijskunde van de RU |Groningen

Correspondentieadres: Balistraat 43-3, 1094 JC Amsterdam

Met dank voor de toestemming tot overname